De jaren 1920-1930 waren een periode van verandering, heropleving en ongekende creativiteit. Nieuwe kunststromingen braken met de traditionele kunst en gingen op zoek naar nieuwe concepten en artistieke uitingsvormen in een wereld die door vooruitgang en technische vernieuwingen werd bepaald. De meest spraakmakende nieuwkomer was het modernisme of het ‘nieuwe bouwen’. Het omvatte een veelheid aan vormen en tendensen, die werden beïnvloed door radicale kunststromingen die overal in Europa waren ontstaan. De modernisten ontwikkelden een nieuw ideologisch idioom met gevolgen op formeel, constructief en functioneel vlak. Het was een ornamentloze, zuiver geometrische architectuur, waarbij de uiterlijke vorm enkel nog de inwendige functies moest weergeven. Dit modernisme impliceerde ook een maatschappelijk engagement. Het gebruik van vernieuwende materialen en technieken in combinatie met prefabricatie en een vormelijke vereenvoudiging, droegen bij tot de sociale ontvoogding en de gelijkheid van de moderne mens.
In België kwam de modernistische architectuur moeilijk van de grond. Aanvankelijk werd het discours ten gunste van de architecturale moderniteit vooral in de marge van het vakgebied gevoerd, met name in de literaire en artistieke avant-gardeverenigingen zoals de Kring Moderne Kunst in Antwerpen. Pas vanaf het midden van de jaren 1920 kon het Nieuwe Bouwen op ruimere belangstelling rekenen. Steeds meer architecten traden toe tot wat men de ‘moderne beweging’ kan noemen. Vele Belgische architecten gingen echter pragmatisch om met de strikte beginselen van deze taal. Slechts enkelen toonden zich voorstanders van de radicale esthetiek en de puristische vormgeving met immaterieel karakter. In de provincie Antwerpen ontwikkelde het modernisme zich vooral als een zakelijke baksteenarchitectuur. In deze architectuur was de invloed uit Nederland bijzonder groot. Vele architecten stonden niet open voor de doorgedreven experimenten met materialen en technieken. Witbepleisterde gebouwen kwamen weinig voor, beton haalde het zelden van het traditionele metselwerk. Slechts een beperkt aantal architecten verwerkte het modernistische, ideologisch geladen purisme op een bijna dogmatische manier.
Eén van de meest uitgesproken modernistische projecten in Antwerpen was de atelierwoning uit 1926 van de kunstschilder René Guiette, het enige uitgevoerde ontwerp van architect Le Corbusier in België. Een aantal van zijn ideeën vind je ook terug in projecten van onder meer de architecten Nachman Kaplansky, Gaston Eysselinck, Léon Stynen, Jean-Jacques Jacobs, maar het blijven vooral vormelijke in plaats van principiële interpretaties.
Tegenover de uitgesproken vormprincipes à Le Corbusier stond het gematigde baksteenmodernisme van de meeste Antwerpse modernisten. Paul Smekens (1890-1983) was één van de sleutelfiguren in de ontwikkeling van deze vorm van baksteenmodernisme. Bij hem week radicaliteit voor terughoudendheid, functionaliteit en harmonie. In een aantal van zijn woningen zijn verwijzingen terug te vinden naar composities van De Stijl en F.L. Wright. Karakteristiek is de houding die hij aannam als uitvoerend architect van de door Le Corbusier ontworpen woning Guiette in Antwerpen, waarbij hij vasthield aan zijn pragmatische instelling, tegen het purisme van de Franse architect in. Eén van de pioniers van de moderne beweging in Antwerpen was Alfons Francken (1882-1958). Hij maakte deel uit van de avant-gardekring Moderne Kunst en was betrokken bij een aantal vooruitstrevende tijdschriften. Francken werd vooral bekend als architect van de eerste hoogbouw (1919 e.v.) en enkele opmerkelijke sociale woningcomplexen in Antwerpen. In zijn sobere bakstenen volumes combineerde hij nieuwe technieken en materialen met modern comfort.
Prototype van de gematigde baksteenmodernist was Walter Van den Broeck (1905-1945). Hij wist als geen ander de mogelijkheden van de traditionele bouwmaterialen te benutten en deze te verzoenen met de modernistische principes. In zijn architectuur, die vooral bestaat uit privé-woningen, poogde hij een synthese tussen expressionisme en zakelijkheid tot stand te brengen. De meest opmerkelijke figuur die zich binnen deze context manifesteerde, was ongetwijfeld Eduard Van Steenbergen (1889-1952). Hij ontplooide een eerlijk functionalisme dat nog dikwijls decoratieve elementen in zich droeg. Het ornament werd niet opgeheven, maar herleid tot een spel met volumes, vlakken, materialen en kleuren. De andere belangrijke interbellumarchitect, Léon Stynen (1899-1990), maakte een gelijkaardige ontwikkeling door, zij het dat hij na zijn keuze voor het modernisme het decoratieve voorgoed afzweerde. De eerste jaren van zijn loopbaan bracht hij verschillende art-decogebouwen en cottages tot stand, tot hij met onder meer de woning Verstrepen in Boom de weg effende voor zijn latere modernistische realisaties. De vele woningen, appartementsgebouwen, cinema’s, casino’s, scholen, rustoorden en kantoorgebouwen die hij vanaf dan ontwierp, vertonen alle kenmerken van het ‘nieuwe bouwen’.
Julien Schillemans (1906-1943) neemt een aparte plaats in in dit verhaal. Zijn gebouwde oeuvre bleef beperkt tot een aantal woningen, onder meer zijn opmerkelijke eigen woonst in Sint-Antonius-Zoersel. Hij verwierf echter vooral bekendheid met zijn stedenbouwkundige projecten, waaronder dat van een wereldstad (1928 e.v.).
Horta and after. 25 Masters of Modern Architecture, M. de Kooning ed. (Gent, 2001).
Laureys, D., ‘De architectuur in een stroomversnelling. Art deco, modernisme en traditionalisme in de provincie Antwerpen’, in D. Laureys ed., Bouwen in Beeld. De collectie van het Architectuurarchief van de Provincie Antwerpen (Antwerpen-Turnhout 2004) 84-129.
Vandenbreeden, J. en Vanlaethem, F., Art deco en modernisme in België. Architectuur in het interbellum (Tielt 1996).
Wij staan dus na 1918 a.h.w. nergens, H. Van de Velde werkt in Nederland, Horta is artistiek dood. Slechts enige relatief jongere krachten knopen aan bij het schone verleden van 1900. A. Francken keert terug uit duitse gevangenschap en bouwt te Antwerpen een nog steeds miskend oeuvre. E. Van Steenbergen, een even weinig gevierde persoonlijkheid, schept werken die afwisselend duitse en nederlandse invloeden verwerken tot een persoonlijke stijl, die niet zonder invloed op de jongeren van toen is gebleven.
De spreekbuizen der moderne richting zijn op dat moment V. Bourgeois voor de walen, H. Hoste voor de vlamingen, de eerste onder invloed van het franse Cubisme, de tweede de hollandse invloed van de Stijl meedragend, maar toch typisch vlaams in zijn stoere, trouwhartige vormgeving, die iets heeft van Damme, Ter Doest, Brugge, Lissewege, en aldus m.i. de ware traditie voortzet. Er is natuurlijk ook De Koninck, die de eer redt van Brussel.
Deze persoonlijkheden werken in een kultureel luchtledige ruimte, indien men de kleine groepen "modernisten" even terzijde laat. Niet dat architecten als Walter Van Den Broeck, wiens woonhuizen de lijn van Hoste doortrekken, Geo Brosens, R. Grosemans, Amaury Michel, M. Wynants, G. Eysselinck, en nog enkele anderen, op schaal van onze toestanden te vernalatigen zijn.
Groepeert men hun werken, dan komt men tot een resultaat dat ons op een betere plaats in de internationale architektuur mag doen aanspraak maken dan deze welke men ons bijv. in "L'Architecture d'Aujourd'hui", "Architectural Review" en andere toonaangevende publikaties toekent!