Overheden hebben een kwalijke reputatie als het op bouwen aankomt. De logge bureaucratische mechanismen werken architectuur van bedenkelijke kwaliteit vaak in de hand: architectuur gemaakt vanuit de onweerstaanbare drang om alles binnen een te beperkt budget te realiseren. Dikwijls gaat het om een gebouw dat sterk gebouwd en makkelijk in onderhoud is. Zoniet zijn het banale, inspiratieloze en weinig duurzame gebouwen.
Uiteraard zijn er uitzonderingen… Sommige gemeenten, districten en provincies gebruiken architectuur als uithangbord. De moderne bouwstijl staat binnen dit denken symbool voor een modern, dynamisch en efficiënt bestuur.
Het Veiligheidsinstituut, het Internationaal Zeemanshuis en het Middelheim Ziekenhuis zijn drie realisaties waarbij een overheid zich op een moderne manier weet te profileren.
Op 17 mei 1946 schrijft de Antwerpse Bestendige Deputatie een wedstrijd uit voor de bouw van het Provinciaal Veiligheidinstituut. Het te bebouwen perceel ligt tussen de Jezusstraat en de Kipdorpvest. Na verschillende zittingen beslist een jury het ontwerp over te laten aan twee jonge architecten Marc Appel en Jan Welslau. Eind 1949 starten de werken aan een publiek gebouw dat volgens Braem een typisch bewijs is voor de doorbraak van de moderne architectuur. Het bouwprogramma omvat modelwerkplaatsen, een auditorium en klaslokalen. Het meest in het oog springende element is de ruime tentoonstellingszaal midden in het bouwblok, een hoge vide met drie galerij, de glas-in-beton koepel en de ingewerkte beeldhouwwerken in de gevel.
Als burgemeester van Antwerpen stelt Lode Craeybeckx (1897-1976) in 1949 een driejarenplan op om de heropleving van de stad een nieuwe wending te geven: Antwerpen zal herrijzen als een moderne stad. Op aangeven van Léon Stynen (1899-1990) besteedt het stadsbestuur de realisatie van drie grote projecten uit aan docenten van het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedebouw (NHIBS). Het ontwerp van het Handelscentrum komt in handen van Vincent Cols (1890-1968) en Jules De Roeck (1887-1966). Dit project op de gronden van het huidige Bouwcentrum blijft onuitgevoerd. De architecten Paul Smekens (1890-1983) en Hendrik-Adolf Wittocx (1893-1965) krijgen van de stad de opdracht aan de Falconrui een nieuw Zeemanshuis op te richten. Voor de realisatie van een Administratief Centrum spreekt de stedelijke bouwheer de twee jonge docenten stedenbouw Renaat Braem en Maxim Wynants (1907-1997) aan.
Het oude Zeemanshuis, in 1891 gebouwd aan de Ankerrui, komt gehavend uit de Tweede Wereldoorlog. Snel blijkt dat de renovatie- en verbeteringswerken te duur zullen zijn. Op 14 augustus 1950 leggen Smekens en Wittockx vier verschillende ontwerpen voor. Op 17 mei 1952 volgt de eerste steenlegging. Zeevarenden van alle nationaliteiten, van alle overtuigingen en van alle rangen nemen het Zeemanshuis op 1 oktober 1954 officieel in gebruik als opvanghuis. Het IZA omvat naast de honderd kamers een receptie, een hal, een restaurant met bar, een rotonde, een recreatiezaal, een bibliotheek, een clublokaal, en een toneel- en bioscoopzaal. Die laatste zaal huisvest het Theater Zeemanshuis. Anno 2010 dreigt de afbraak voor het Zeemanshuis.
Het Zeemanshuis is een typisch voorbeeld van het jaren vijftig denken waarbij architecten midden in een historisch stadsdeel een modern gebouw optrekken in plaats van voorkeur te geven aan een historiserende invulbouw. Het gebouw positioneert zich diagonaal op het bouwperceel. Op deze manier kunnen niet alleen de omwonenden genieten van de open ruimte naar alle zijden, ook de gebruikers van het Zeemanshuis kunnen zo optimaal genieten van de lichtinval. Daarnaast is het een zeldzaam voorbeeld van compromisloze moderne, functionele architectuur die net zoals de blokken op Luchtbal en Kiel inspeelt op sociale noden. Het interieur is strak, zonder de kleffe sfeervolle verwijzingen naar het zeemansleven. Het architectenduo is er in geslaagd het bouwblok binnen het gevraagde budget en binnen de geplande tijd af te werken.
Er was een tijd toen ieder nieuw gebouw opgericht door een openbaar bestuur, een nieuwe storende vlek was op het gewaad van ons schone land.
"Officieel" was werkelijk een synoniem van "academisch" of "conservatief". Soms was het een Maecenas die een Stoclethuis bouwde te Brussel, of een jonge partij die een Volkshuis oprichtte in dezelfde stad, maar betere openbare gebouwen zoals de brandweerkazerne van Van Averbeke voor het stadsbestuur van Antwerpen, waren zeldzame uitzonderingen.
(...)
Dat Antwerpen meer en meer het centrum geacht wordt van waaruit deze nieuwe geest het krachtigst uitstraalt moge alle Vlamingen met vreugde vervullen.